Make your own free website on Tripod.com
Jona 3 en 4 Ninevé op zijn kop?

En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren          (Mattheüs 6,12)

Gemeente van onze Here Jezus Christus

Tijdens het eerste lesuur wordt er op school meestal niet begonnen met gebed en een stukje uit de Bijbel. Vandaag is dit wel het geval. De leraar die je dit uur hebt, houdt zich aan de afspraak om het eerste lesuur met gebed en bijbellezing te openen. Hij leest een stukje over de profeet Jona.

Jona wordt door de Here God geroepen om naar Ninevé te gaan. Aan de inwoners van die stad moet hij Gods woord vertellen. God is namelijk van plan om de stad ondersteboven te keren, omdat de Ninevieten alleen die dingen doen die kwaad zijn in Gods ogen. Maar God zal zijn plan niet direct uit voeren. Hij geeft hun nog de kans om zich te bekeren en dit is wat Jona hen moet vertellen.

Echter Jona heeft daar geen zin in. Wat kunnen die inwoners van Ninevé hem schelen. Laat God de stad van die goddeloze mensen maar onderste boven keren. Krijgen ze eindelijk wat ze verdienen. Jona besluit om Gods opdracht niet uit te voeren en vlucht weg. Hij gaat niet naar Ninevé, maar de andere kant op. De leraar stopt met lezen en in zijn gebed vraagt hij of God wil helpen dat zij wel zullen doen wat God van hen vraagt.

Dan begint de spanning in de klas te stijgen. De leraar gaat de cijfers opnoemen van het laatste proefwerk dat gemaakt is. Voor velen bepaalt dit cijfer of ze overgaan of niet. Zelf zit je er rustig bij en denkt dat het niet z=n vaart zal lopen. Het zal wel een zesje zijn en met een zes heb je het ruimschoots gehaald en is overgaan geen probleem.

Waarom je zo rustig in de klas zit komt ook, omdat één jongen er niet is, Hans. Hij is de grootste klier van heel de school en vaak ben jij zijn slachtoffer. Vorige week nog gooide hij je schoenen in het toilet. De week ervoor had hij allebei de fietsbanden lekgestoken. Wanneer Hans op school is, ben je altijd op je hoede en ben je steeds bang dat hij weer iets met je uitvoert. Dingen kapot maakt of jou voor schut zet.

Inmiddels is de leraar al halverwege de cijferlijst. Je hebt net gehoord dat je een 6 2 hebt gehaald en nu wel erg ruim overgaat. Tegelijk denk je dat je toch weer te veel geleerd hebt. Dan hoor je de naam van Hans en het cijfer dat hij heeft gehaald. Dat was niet al te best. Deze 3 betekent voor hem, dat hij blijft zitten. En dan voel je een grote opluchting. Volgend jaar ben je van hem verlost en zit je niet in dezelfde klas.

Terwijl je nog nageniet van dit mooie vooruitzicht, is de leraar aan het eind van de cijferlijst gekomen. Allen hebben hun cijfer gehoord. Toch blijft de leraar over de cijfers doorpraten. Hij zegt dat er besloten is dat allen die dit willen morgen het proefwerk over mogen doen. Het hoogste cijfer geldt. Even schrik je, want dan mag Hans het proefwerk ook over doen en stel dat hij het wel haalt en wel overgaat! Tegelijk besef je dat Hans er nu niet is. Hij weet niet dat hij het proefwerk over mag doen en als het aan jou ligt zal niemand dit aan hem vertellen.

Als het aan jou ligt? Zo denkt de leraar er niet over. Hij heeft ook gezien dat Hans er niet is en hij weet dat Hans bij jou in de buurt woont en voordat je er erg in hebt heb je al ja gezegd op de vraag van de leraar. Jij zal het wel aan Hans gaan zeggen, dat hij morgen het proefwerk over mag doen. En dan voel je dat je in een gelijke situatie zit als de profeet Jona.

Je hebt geen zin om de boodschap van de leraar over te brengen. Wat kan jou die Hans schelen. Laat hem maar gerust een jaar over moeten doen. Na schooltijd besluit je om een andere weg naar huis te nemen. Een andere weg, zodat je niet langs het huis van Hans komt.

Thuis gekomen ga je na de thee naar je kamer om je huiswerk te maken. Alleen er komt niet veel van terecht. Zelfs de simpelste wiskundesommen kun je niet meer maken. Zelfs 1 + 1 is al te moeilijk. Je bent er met het hoofd niet bij. Telkens moet je denken aan Hans en aan Jona. Hoe ging het ook al weer verder met Jona. Dat van die vis weet je nog wel, maar dat was niet het einde van het verhaal. Er kwam nog iets achteraan.

Om er achter te komen hoe de geschiedenis van Jona verder gaat pak je de Bijbel die naast je bed ligt, maar hoe je ook zoekt, je kan het boek Jona niet vinden. Het zal wel niet in jouw Bijbel staan. Of toch wel. In het register staat het er wel bij. Gelukkig met het paginanummer. En dan begin je het verhaal verder te lezen op het punt dat Jona uitgespuugd is op het droge.

Hij krijgt opnieuw een opdracht van de Here God. Nog steeds wil God, dat Jona naar Ninevé gaat en hij moet aan de mensen zeggen: ANog veertig dagen en Ninevé wordt ondersteboven gekeerd!@ Deze keer doet Jona het. Al is het met grote tegenzin. Hij maakt het zich dan ook erg makkelijk. In plaats van drie dagen loopt hij slechts één dag door Ninevé.

Terwijl je dit leest schieten ineens de woorden van de leraar te binnen die hij in het gebed had uitgesproken. Hij vroeg of God hen wilde helpen om wel te doen wat God van hen vroeg. Ook denk je weer aan de vraag van de leraar of jij aan Hans wilt zeggen, dat hij morgen het proefwerk kan overmaken. Je besluit om een klein briefje in de brievenbus te stoppen.

Twee dagen later wordt het eerste uur opnieuw begonnen met een gedeelte uit de Bijbel. Het gaat nog steeds over Jona. Jona zit op een heuvel buiten de stad Ninevé. Hij wacht af en streept de dagen weg, totdat er veertig dagen voorbij zijn gegaan. Op deze dag zal God de stad Ninevé omkeren.

Alleen wat er die dag ook gebeurt. Ninevé blijft op zijn grondvesten staan. Jona wordt kwaad op de Here God. Heb ik het niet gezegd. Ik wist wel dat u het niet zou doen, want ik wist dat u een genadig en barmhartig God bent, vol van geduld en die berouw heeft over het kwaad. In het gebed dankt de leraar God, dat Hij de zonden en fouten van mensen wil vergeven.

Je laat het verhaal langs je heen glijden. Je denkt aan het briefje dat bij Hans in de bus hebt gedaan en je hoopt dat hij het niet heeft gevonden en het proefwerk weer slecht gemaakt heeft. De hoop vervliegt snel en maakt plaats voor teleurstelling en kwaadheid. Hans heeft zelfs een 7 2 gehaald. Hij gaat over en zal volgend jaar weer bij jou in de klas komen. Nog een jaar zit je met die klier opgescheept.

In de pauze zie je Hans op je afkomen. Snel berg je alles op in je tas die je stevig onder de arm houdt, terwijl je probeert weg te lopen. Helaas te laat. Hans heeft je arm al vast. Je houdt je adem in en probeert vriendelijk te kijken. Je vreest echter dat je weer de pineut bent en dat Hans je weer voor schut zal zetten. Alleen deze keer is het anders. AIk wil je bedanken voor je briefje@, zegt Hans. AAls jij dit briefje niet bij mij in de bus had gedaan, had ik niet geleerd en had ik het proefwerk weer slecht gemaakt en dan was ik niet overgegaan. Bedankt dat jij dit gedaan hebt. Al moet je nu niet denken, dat je mijn vriend bent.@

Je mompelt iets van Aja, ja, graag gedaan@ en zegt dat het net zoiets is als met Ninevé. Hans kijkt je onbegrijpend aan en loopt hoofdschuddend weg. Jij weet echter wat je bedoelt en wat God je heeft willen leren. God wil niet dat mensen verloren gaan. God heeft er geen plezier dat Ninevé ondersteboven gekeerd wordt of dat Hans blijft zitten. Het is Gods wens dat mensen zich bekeren van hun verkeerde gedrag en goed gaan doen.

De stad Ninevé hoeft niet ondersteboven gekeerd te worden, maar wordt gespaard, omdat de inwoners zich bekeren. Zo wil God genadig en barmhartig is. Hij wil hun fouten en zonden vergeven. Precies zoals Hij onze fouten en zonden wil vergeven. En dan vraagt Hij van ons dat ook wij anderen hun fouten vergeven en anderen telkens weer de kans geven om zich te bekeren en goed te doen. Zoals ook wij telkens ons best moeten doen om goed te doen.